Paarden ruiken de stal

Dit verhaal speelt in 1840. Gemeenteraadslid dhr Varkevisser, woonachtig te Den Haag, was voor een etentje gevraagd in Delft. Oude Piet, de koetsier van de familie, spande de paarden in en reed dhr. en mevr. Varkevisser van de Keizerstraat in Scheveningen naar de Oude Delft. De gastheer had een ruime woning met aanpalende stallen waar de paarden werden uitgespannen en ondergebracht.

Laat op de avond wordt de koetsier gevraagd het rijtuig in orde te maken voor terugkeer naar de Keizerstraat. Als de paarden zijn ingespannen loopt oude Piet naar binnen om dit mede te delen.

Vertrouwend op de makheid van de paarden zijn de staldeuren alvast open gezet om vlot te kunnen vertrekken. Het gezelschap is ernstig verschrikt als bij terugkomst in de stallen de aanspanning nergens te bekennen is. De paarden hadden zelfstandig de terugreis aangevangen, langs de Delftse grachten, het Haagse centrum, via de Scheveningseweg terug naar de Keizerstraat.

Toen de dochters van de familie het rijtuig leeg zagen terugkeren was de verbazing groot. Een half uur later arriveerden de ouders, in bijzijn van de koetsier, met een ander ander rijtuig. In het schemerdonker was het niemand opgevallen dat het rijtuig leeg was voortgetrokken. Sterker; de tolbaas aan het begin van de Scheveningseweg had nog vriendelijk geroepen ‘goedenavond Piet!’.

Immers de familie Visser betaalde haar tolgeld per week, zodat bij de tussentijdse ritten het niet nodig was om halt te houden. Bron: Het Vaderland, 01-01-1926

Van de schrik bekomen

Paardensport behoort anno 2020 tot de sporten waarbij relatief veel ongelukken gebeuren. Paarden zijn onvoorspelbare dieren en een ongeluk zit in een klein hoekje.

In de hofstad waar paarden onlosmakelijk zijn verbonden met de Oranjes heeft dat tot menig incident geleid. In februari 1887 ontsnapte Nederland aan een ‘nationale ramp’ toen een rijtuig met daarin Emma en Wilhelmina op hol sloeg.

De paarden stormden de Zeestraat door op de terugweg vanuit Scheveningen. De 21-jarig Anton Kabelaar, in dienst als koetsier van een huisarts, zag het gebeuren. Hij verliet zijn eigen rijtuig, wachtte het aanstormende span op,  greep een van de paarden bij het hoofdstel en liet zich korte tijd meetrekken. Vastberaden wist hij de paarden tot stoppen te dwingen. Het Koninklijk gezelschap kon van de schrik bekomen.

Anton de Kabelaar was op slag een bekende Hagenees. Het volgende wijsje werd gezongen. 

Anton Kabelaar, die goeie jongen. | Hij is van de bok gesprongen. | Hij heeft de koningin gered | Jongens wat een pret! 

Bron: Algemeen Handelsblad 18-09-1963 / De Glorietijd van het paard, Slob, W., 1987, De Bataafsche Leeuw

Tragisch

In de Bilderdijkstraat was stalhouderij Ling gevestigd. Laat op de dag keerde dhr Ling terug van een rit. Hij stopte zijn paard achter een geparkeerde bierwagen. Hij liep de woning binnen en liet het rijtuig voor korte tijd onbeheerd achter.

Het zoontje en de twee dochters glipten naar buiten en beklommen het rijtuig. Toen kort daarna de bierwagen zich in beweging zetten voltrok zich een drama.

Ook het rijtuig van de stalhouder zette zich in beweging en het paard sloeg op hol. Rennend richting het water van de Veenkade greep een omstander het paard bij de leidsels. Het mocht niet baten, ook de omstander werd meegesleurd de gracht in. Een glazenwasser die getuige was sprong het water in, twee van de kinderen konden op tijd uit het water worden gehaald. De omstander en de zesjarige dochter verdronken onder de koets. Bron: Leeuwarder Courant 11-09-1900

 

Verstand van paarden

Prinsjesdag 1963. De prinsessen volgen hun ouders in de Prinsjesdagstoet. Ze zitten in de Creme Caleche als het vierspan ‘reuzenkrachten’ ontwikkelt en niet meer in de hand kan worden gehouden.

Het span komt ongelukkig tussen een paar stenen palen terecht en het paard met de naam Peter valt languit over straat.

Het span komt tot stilstand voordat er grote ongelukken gebeuren. Ook de paarden lopen vrijwel geen verwondingen op. De prinsessen vervolgen de rijtour door in te stappen bij de Gouden Koets.

Een dag later wordt opgetekend: de Koninklijke familie is geschrokken, maar zij heeft toch zoveel verstand van paarden om te weten dat dit nou eenmaal kan gebeuren. Bron: Algemeen Handelsblad 18-09-1963

Dood Paard

In Engeland en Amerika bestond (en bestaat) er een taboe op het eten van paardenvlees. Paarden werden vaak ‘op’ gebruikt en stierven derhalve vaak in het harnas. Het was niet ongebruikelijk diverse karkassen op straat aan te treffen die dagelijks werden verwijderd door de knackers’.

In Nederland waren de praktijken minder barbaars. Paarden die door hun leeftijd of ouderdom het werk niet meer aankonden vonden vaak hun weg naar het slachthuis. Toen in 1911 het Openbaar Gemeentelijk Slachthuis opende in Den Haag werden er in het eerste jaar 3.471 paarden aangeboden.  

 Maar ook in de Haagse straten struikelden en vielen regelmatig paarden. Oorzaken waren meestal de onoplettendheid van de koetsiers, glad plaveisel, slecht beslag en soms ook uitputting.

In 1912 schrijft dhr. Van Unen een brief aan de Haagse Courant. Hij ziet dat er dagelijks 7 tot 8 paarden uitglijden op de bestrating van het Noordeinde en de Oranjestraat. Hij vindt het merkwaardig dat er alleen grit, ter voorkoming van het glijden, wordt gestrooid bij het passeren van een Koninklijke stoet.

Als een paard valt is het vaak korte tijd in onmacht en blijft het stil liggen. In een onhandige positie, verstrikt in de leidsels  is het moeilijk om overeind te komen. Door een kleed onder de buik van het paard te halen en aan weerszijde te trekken werd het paard vaak weer in de benen geholpen. Dat was een flinke klus, een paard weegt zeker 500 kg en werkt niet altijd mee.

Door de onmacht van het paard was niet altijd duidelijk of het paard nog leefde, het kwam weleens voor dat de inspanningen voor niets waren. Men stond dan ‘aan een dood paard te trekken’. 

In 2018 kwam een Amerikaanse dierenrechtenorganisatie met een campagne om ‘dieronvriendelijke’en ‘verouderde uitdrukkingen’ te herzien,  het spreekwoord zou moeten veranderen in ‘het voeden van een doorvoed paard’.

Panda's en ezels

Rondom dierenbescherming is opvallend hoe organisaties met treffend gekozen campagnes de aandacht van het grote publiek weten te pakken. Het Wereldnatuurfonds koos niet toevallig voor de charismatische panda als symbool voor haar organisatie. De knuffelbare beren trekken gemakkelijk de aandacht.

‘Avant la lettre’ wierp men in Den Haag  de ezels in de strijd om de publieke opinie voor zich te winnen.

Wie op een zonnige dag naar het strand trok kwam onontkoombaar de ezeldrijvers tegen die plezierritjes aanboden. Veel Hagenezen stoorden zich aan de ruwe omgang met de ezels die op een warm en onbeschut strand de hele dag in touw waren. De ezels met hun kleine postuur, enorme oren en grijze snuit waren meelijwekkend. Zeker  bij dagjesmensen en de toeristen die steeds meer richting Scheveningen kwamen. Het was dan ook een strategische zet van de dierenbeschermers om  zichzelf op de kaart te zetten met een pleidooi tegen ‘het afranzelen van ezels’. Er volgden diverse grappen en spotprents met als strekking of er nu nog wel iets kritisch  gezegd mocht worden over al die ezels in de politiek.

Korte tijd later werd in 1864 de ’s Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren opgericht. Het zou een van de voorlopers zijn van de huidige Dierenbescherming. Koningin Sophia, de vrouw van koning Willem III, stond in 1867 aan de basis van de Koningin Sophia-Vereeniging tot Bescherming van Dieren. Ze was van oordeel dat de beschaving van een volk was af te lezen aan de omgang met dieren en vond dat veel landgenoten zich op dit punt nog zeer onbeschaafd gedroegen. 

Renbaanstraat

Koning Willem II en zijn tweede zoon Prins Alexander waren grote paardenliefhebbers. Vooral die laatste was een drijvende kracht achter de eerste renbaan die Den Haag gekend heeft.

In 1846 kwam de 1600 meter lange baan gereed in de duinen van Scheveningen. In augustus vond de eerste  wedren plaats. Er was een ongekende belangstelling. Liefst 600 rijtuigen werden er geteld op de weg naar Scheveningen, daarnaast vervoerden de diligences en omnibussen nog eens 3000 bezoekers. Overal langs het parcours vulden de duintoppen zich met toeschouwers, voor dit uit Frankrijk en Engeland overgewaaide spektakel. Na afloop werden er op verschillende plaatsen grote feesten georganiseerd, de opening van de renbaan zette Scheveningen op kaart.

Bij latere edities werd de belangstelling gemakshalve omschreven als een ‘ontelbare menigte’. De belangstelling gaf ook een stevige impuls aan het ‘vreemdelingenbezoek’.

Het aantal renpaarden was in Nederland zeer beperkt, er bestond bij de bovenlaag geen cultuur om renpaarden in bezit te hebben zoals in omringende landen. Na een paar jaar lukte het niet meer om genoeg paarden bijeen te brengen om interessante wedstrijden te organiseren. Zeker na het overlijden van Prins Alexander (die de baan sterk steunde en diverse paarden in bezit had) kwamen de rennen op Scheveningen snel tot een einde.

Vandaag de dag herinnert de Renbaanstraat nog aan de plek waarlangs vroeger een deel van de baan liep. Bron: Draf- en renbanen in Nederland, Minkema, D., 2004

 

in de wielen

Belangrijke steden kenden plaatsen waar de welgestelden te paard konden flaneren om te zien en om gezien te worden.

In het Londense Hyde park gebeurde dit bijvoorbeeld op de Rotten Row (verbastering van Route du Roi) en South Carriage Drive. Geheel volgens de mode ontwikkelde het Lange Voorhout zich op eenzelfde manier. De aanpalende woningen hadden aan de achterzijde en in tussengelegen straten de stallen en koetshuizen.

Het aanzien steeg naarmate rijtuigen met meerdere paarden waren bespannen. De stelregel was hoe meer paarden, hoe meer kapitaal. Het sprong extra in het oog als een notabele zelf de kunst van het mennen beheerste, zeker waar het meerspannen betrof. Dit vereiste de nodige oefening. Iemand had dan naast een zeker kapitaal, ook veel tijd. 

Het rijden ging gepaard met de nodige etiquette. Verkeersregels bestonden nog niet. Op basis van rang en stand was impliciet wel duidelijk wie er voorrang had als rijtuigen elkaar kruisten. Maar wat als gelijken elkaar tegenkwamen?  

 In 1657 lijkt een patstelling tussen een Franse en en Spaanse gezant uit de hand te lopen. Beide willen ze een weg opdraaien maar dat kan niet tegelijkertijd, de een wil de ander geen voorrang verlenen en andersom. Een paar jaar later ziet raadspensionaris Johan de Witt hoe een Engels en Holsteinse vertegenwoordiger het met elkaar aan de stok krijgen. Diplomatiek als hij is, besluit hij om te bemiddelen. Uiteindelijk kiezen beide heren ervoor hun weg door Den Haag lopend te vervolgen, men kan elkaar niet meer in de wielen rijden. 

Een soortgelijk incident in Londen (1661) liep volledig uit de hand. Twee ambassadeur komen met hun rijtuig tegenover elkaar te staan en willen niet van wijken weten. In de onenigheid die volgt, vallen tenminste 8 doden en 25 gewonden. Bron: Wikipedia. Geraadpleegd op 2 februari 2020, van https://nl.wikipedia.org/wiki/koetsincident

Zedeloosheid

In het huidige Hotel des Indes woonde ooit de familie Van Brienen. Deze familie was in het bezit van landgoed Clingendael. Baron van Brienen liet hier een renbaan aanleggen die in augustus 1882 werd geopend.

De toeloop was overweldigend, om iedereen binnen te kunnen laten werd de start van het programma uitgesteld. In 1903 overleden zowel de Baron als zijn vrouw, derhalve sloot de renbaan vanaf dat jaar haar  deuren.

De jongste dochter, freule Daisy, vindt de verantwoordelijkheid te groot om de renbaan in bedrijf te houden. Later legt ze de Japanse tuin aan die, afhankelijk van de periode in het jaar, tot op de dag van vandaag nog bezocht kan worden.

Toen in 1903 renbaan Clinendael sloot, startte op steenworp afstand de ontwikkeling van renbaan Duindigt. Deze opende in 1906. Duindigt beleefde pieken en dalen.  Een eerste tegenslag was het totalisatorverbod (zie onder). Toen als gevolg daarvan er veel minder activiteit was op de baan, werd de ruimte benut om Belgische vluchtelingen onder te brengen. Ook in de Tweede Wereldoorlog boden de accommodaties onderdak, nu aan Rotterdammers die hun woning verloren waren bij het bombardement. Het terrein lag beschut en dicht bij zee, voor de Duitsers bleek het een strategische plek om hun V2 raketten af te vuren. Een vergissingsbombardement van de geallieerden om deze installatie onschadelijk te maken heeft in Bezuidenhout en een deel van het centrum veel slachtoffers gemaakt. Zodra Den Haag bevrijd was vonden er voedseldroppings plaats boven Duindigt. Een plaquette herinnert aan die gebeurtenis. 

In 1909 kregen de renbanen een flinke tegenslag te verwerken, de Zedelijkheidswet werd toen aangenomen. De confessionele partijen drukten daarmee een sterke stempel. Er werd opgetreden tegen de zedeloosheid van het wedden op paarden, niet in de laatste plaats omdat draverijen en rennen vaak op zondagen werden uitgeschreven. Een percentage van de inzet is de belangrijkste inkomstenbron voor de sport. Nu die wegviel werden renbanen gesloten en eigenaren verkochten hun paarden. Het duurde tot de Duitse bezetting dat het totalisatorverbod werd opgeheven en er weer koersmeetings werden georganiseerd. 

 

Bachanalenfeest

Den Haag bestond min of meer uit twee delen. Het ruim opgezette hofkwartier met haar paleizen en bestuurscentrum en verderop het dorp (rondom de Grote Kerk).

De bewoners van het hofkwartier hielden scherp in de gaten dat de allure niet in geding kwam. Een plek waar de goede zeden onder druk stonden was de paardenmarkt. De markt bestond al vanaf de 14e eeuw, er moest een plek zijn om de zo belangrijke paarden te kunnen kopen of verkopen. 

Niet iedereen die een paard kwam kopen had verstand van de dieren. Van deze ondeskundigheid werd ruim misbruik gemaakt, menig paardenhandelaar had een grote creativiteit om kleine en grote gebreken buiten het beeld van de potentiële koper te houden. Er verschenen zelf handboeken vol met voorschriften ter voorkoming van oplichting op de paardenmarkt.

Menig aangekocht paard bleek na enkele dagen blind, kortademig, kreupel, lusteloos of juist onhandelbaar terwijl dit op de markt nog heel anders was voorgespiegeld. Na een flinke regenbui veranderde (gedeelten van) het paard soms ineens van kleur. De leeftijd van een paard kan worden gecontroleerd aan de hand van het gebit. Het zal niet verwonderen dat er dus ook allerlei ingrepen voorhanden waren om via behandeling van de tanden een paard juist ouder of jonger te laten lijken. 

Een koop werd vaak bezegeld met een paar borrels, ook waren er altijd dames in de buurt. De combinatie van paarden, geld, drank en vrouwen steeg de bezoekers regelmatig naar het hoofd. Vechtpartijen en dronkenschap waren meer regel dan uitzondering op de paardenmarkt.

Het keurige Den Haag had er in 1864 genoeg van, de paardenmarkt werd opgeheven. Het is opmerkelijk omdat de paard rond die tijd haar grootste glorietijd doormaakt. Het feit dat vrijwel alle omliggende dorpen en steden met grote regelmaat paardenmarkten organiseerden zal de sluiting mogelijk hebben gemaakt. 

Ook heden ten dage ligt er nog een goede raad verscholen in het Duitse gezegde ‘Wie je een blind paard probeert te verkopen, zal vooral de benen prijzen’. Bron: De Glorietijd van het paard, Slob, W., 1987, De Bataafsche Leeuw

Trage vooruitgang

Terwijl het eind 19e eeuw in de landen om ons heen bruist van de bedrijvigheid kijkt men in Nederland vooral verwonderd om zich heen naar wat er gaande is. Het personage Jan Salie stond symbool voor het trage en behoudende 19e-eeuwse Nederland.

Illustratief was de trage besluitvorming om een paardentram in te voeren in Den Haag (en later om deze te moderniseren naar een elektrische tram). Het verloop van dit trage moderniseringsproces is later bekend komen te staan als ‘de Haagse tramkwestie’.

Toen eindelijk na veel strubbelingen de paardentram naar redelijkheid functioneerde was in andere landen de elektrische tram als in opkomt. Het proces van vergaderen, commissies instellen en rapporten bestuderen begon weer van voor af aan.

De lokale politiek maakte iedere afweging tot een groot debat, de lokale kranten volgenden dit op de voet. En na jaren afwegen en vergaderen doet de tijd haar werk. Op het gebied van snelheid, capaciteit, overlast, tarieven en een efficiënte exploitatie ziet iedereen in dat de paardentram niet kan concurreren met modernere vormen van vervoer.

Toen dan eindelijk werd besloten om ook in Den Haag een elektrische tram in te voeren – met bovenleiding – was er nog steeds veel bezwaar tegen de ‘ramp’ die de bedrading zou meebrengen voor de esthetiek van de stad. In het stadsbestuur begon inmiddels een meer daadkrachtig geluid te klinken: de bevolking zou op termijn vanzelf wel gaan wennen aan de ‘lelijke’ stroomkabels. Bron: Van paardentractie naar elektrische geleiding, R. Mulder

Te paard naar de politiek

In het voorjaar van 1900 vond er een stemming plaat over de voorgenomen  Leerplichtwet. De wet zou ouders verplichten om hun kinderen tussen de 7 en 13 jaar lager onderwijs te laten volgen.

Op voorhand was duidelijk dat de stemming erg spannend zou worden. Kamerlid Schimmelpenninck (Vrije Antirevolutionaire Partij) had een onfortuinlijke val gemaakt met zijn paard en kon niet naar de stemming komen. De liberalen grepen hun kans en lieten een rijtuig aanrukken om het ernstig zieke lid Van Kerkwijk naar de kamer te rijden. Het kamerlid was zo ziek dat hij nauwelijks bij bewustzijn zijn stem uitbracht. Het resultaat was dat de wet met 1 stem verschil werd aangenomen. 

De wet werd in het land goed ontvangen en velen constateerden dan ook: ‘Het paard was verstandiger dan de meester’. Ook werd het volgende rijmpje populair. 

Baron Schimmelpenninck en zijn Biek | Deden beide aan politiek: | De baron zei: “Tegen zonder manco.” | De schimmel zei: “Wij stemmen blanco.” | Zo werd Borgesius’ Leerplichtwet | Door ‘paarden’politiek gered.

Het reizen van en naar Den Haag was afhankelijk van paarden en daarmee een tijdrovend en logistieke uitdaging. Kamerleden kwamen uiteraard uit alle delen van het land. Toen er in de loop van de 19e eeuw steeds grotere waarde werd gehecht aan de zondagsrust ontstond er een probleem. Kamerleden wilden graag het ceremonieel rondom Prinsjesdag (toen op maandagen) meemaken, maar tegelijkertijd de zondagsrust respecteren. Dat is onmogelijk als men al een dag van te voren dient te vertrekken. Uiteindelijk valt in 1887 het besluit om vanaf dat moment Prinsjesdag te vieren op de derde dinsdag van september.